|
Noot: dit persbericht is letterlijk overgenomen van UvA persvoorlichting.
De Armeense genocide van 1915 staat niet op zichzelf, maar is onderdeel van een gewelddadige bevolkingspolitiek die de Ottomaans-Turkse regering tussen 1913 en 1950 op diverse manieren in Oost-Turkije heeft gevoerd. Doel was om de regio etnisch te homogeniseren en tot onderdeel van de Turkse natie-staat te maken. Dat betoogt historicus Uğur Ümit Üngör, die donderdag 11 juni promoveerde aan de Universiteit van Amsterdam. In zijn proefschrift beschrijft hij de rol die de Jong-Turkse dictatuur heeft gespeeld in het onder dwang veranderen van de samenstelling van de bevolking door fysieke vernietiging, deportaties, gedwongen assimilatie, ruimtelijke planning en herinneringspolitiek.
Bepalend voor de verspreiding van het nationalisme in het Ottomaanse Rijk was de opkomst van de Jong-Turkse partij. Die pleegde in 1913 een bloedige staatsgreep en ontwikkelde zich tot een dictatuur, die ervan overtuigd was dat de Ottomaanse staat alleen kon overleven als natiestaat. De Jong-Turken hadden daarbij bijzondere aandacht voor de oostelijke provincies. Die kenden namelijk een economische ontwikkeling en etnische samenstelling die niet overeenkwamen met de nationalistische idealen van de Jong-Turken: Armeense kooplieden en Koerdische grootgrondbezitters domineerden er de handel respectievelijk de landbouw. Het gevolg was een bevolkingspolitiek van assimilatie en verdrijving, die uitmondde in de genocide op de Armeniërs door middel van massa-executies, deportaties, gedwongen assimilatie en uithongering.
Deportatie van Koerden
Een ander aspect van de Jong-Turkse bevolkingspolitiek was de deportatie van Koerden uit het oosten en de vestiging van Turken daar. Üngor stelt dat de deportaties, die tussen 1916 en 1950 in drie fases verliepen, evolueerden doordat het Jong-Turkse bewind hiermee steeds meer ervaring opdeed. De latere stadia van bevolkingspolitiek werden hierdoor geraffineerder. In de Eerste Wereldoorlog werden nog complete stammen en dorpen gedeporteerd, maar in latere fases werden primair de Koerdische intellectuele, culturele, religieuze, en politieke elites geattaqueerd. Deze notabelen werden na schijnprocessen geëxecuteerd, verbannen en gevangengezet.
De racistisch en koloniaal geïnspireerde bevolkingspolitiek kwam ook terug in het onderwijs, dat in dienst stond van de politieke ideologie van de Jong-Turken en niet-Turkse groepen moest 'Turkificeren'. Deze vorm van staatsonderwijs kwam in alle vakken tot uiting. Door geschiedenisboeken te herschrijven moesten scholieren een nieuwe herinnering aanleren, waarbij de lesstof was ontdaan van etnische minderheden en kritieke historische gebeurtenissen. De ontkenning van de Armeense genocide is door de Jong-Turkse dictatuur sindsdien verankerd in het staatsonderwijs in Turkije. Na de val van het Jong-Turkse regime in 1950 is de Turkse politiek niet in het reine gekomen met de misdaden van de Jong-Turkse dictatuur.
Üngör concludeert dat de Jong-Turkse totalitaire bevolkingspolitiek, die naast Armeniërs en Koerden ook onder Assyriërs veel slachtoffers maakte, op sommige vlakken weinig heeft opgeleverd. Hij wijt dit vooral aan interne strijd, onrealistische doelstellingen, de weerstand van stamverbanden en agrarische samenlevingen en de contraproductiviteit van geweld.
Promotiegegevens
Uğur Ümit Üngör verdedigde zijn proefschrift Young Turk Social Engineering: Mass Violence and the Nation State in Eastern Turkey, 1913-1950 op 11 juni in de Agnietenkapel. Prof. dr. Johannes Houwink ten Cate en prof. dr. Michael Wintle traden op als promotores.
Zie ook forumtopic over dit onderwerp: Tegenwicht Armeense propaganda
|